We reden zonder rechte lijnen.
Hellingen vraten de weg op,
dalen gaven hem terug,
steeds weer een nieuwe bocht
die openbrak naar blauw.
Baaien als geheime kamers
waar het water stil werd
om naar ons te luisteren.
Blauw dat niet ophield,
diep genoeg om in te verdrinken.
Kliffen stonden op de wacht.
Graniet, oud en koppig,
met littekens van duizend stormen.
Ze zeiden niks, maar hielden stand.
Wij leunden ertegenaan
en voelden ons even net zo sterk.
Verderop, landinwaarts, laten dorpjes.
Bruin van steen, laag bij de grond,
scheve daken die de regen kennen.
Stenen straten ruiken naar brood en haardvuur.
Mythes slenteren daar nog rond
als katten: ongrijpbaar, vanzelfsprekend.
Merlijn moet hier ergens verdwaald zijn.
We aten de dag met beide handen.
Brood nog warm van de bakker,
korst die kraakt tussen je tanden.
De geur van gras na regen,
van aarde die leeft onder je voeten.
Genieten hoefde hier geen reden.
Het was er gewoon, net als de stilte
tussen twee bochten in.
Bossen namens ons over.
Bladeren knisperden onder onze voeten,
varens streken langs onze benen.
Takken tekenden runen in de lucht,
knoestige eiken die alles zagen
komen en gaan.
Even waren we zelf legende,
twee figuren in schaduw en halflicht.
En dan de vergezichten.
Steeds als je denkt: dit is het,
gooit het land weer een horizon open.
Wijder dan je hoofd aankan.
Je ademt, en ineens past alles.
De weg, de wind, wij.
Bretagne heeft ons geraakt.
Met zijn baaien, zijn strand,
zijn zee en zijn bossen.
Met alles.
We komen terug met zout op de huid
en steen in onze botten.
Rond en scherp tegelijk,
net als de kust.